'Die troubadour ben ik zelf'

Plotseling was ze haar stem kwijt, in 1993 midden in een voorstelling. Ze kon lange tijd niet spreken, laat staan zingen. Acht jaar later was haar stem terug, dieper en breder dan ooit. Maar nu Lenny Kuhr de draad van haar carriere weer oppakt, loopt ze tegen vooroordelen op van mensen die haar nog steeds associeren met haar hits Visite en De Troubadour. Dat ze inmiddels al twintig albums he eft uitgebracht is velen ontgaan.

Bij de open haard, in een doorsnee lijstje waarachter we net zo goed een foto van haar kleinzoon Ozz hadden kunnen treffen, zit een A-viertje met de tekst van 'De Troubadour'. De oertekst, duidelijk van ver voor de eeuwwisseling. De tijd van typmachines. Een vel papier, precies zoals tekstschrijver David Hartsema het de jonge zingende componiste destijds had opgestuurd. Compleet met doorhalingen en de verklaring: 'hierbij een nieuw tekstje'. De brief heeft in vieren gevouwen in een envelop gezeten, de vouwen zijn nog zichtbaar. Het lied betekende een kentering, het begin van een lange muzikale carriere. Lenny Kuhr is de laatste om dat te ontkennen.
Met De Troubadour won ze in 1969 het Eurovisie Songlestival. 'Voor het Lenny Kuhr Museum,' zegt echtgenoot Rob Frank, die het 'historisch document' even van de muur heeft gehaald. De grijns die zijn woorden vergezellen, is veelzeggend. Dat Songfegtival. Toevallig had de TROS die ochtend in hun huis in Nederwetten gebeld. Ze zijn Lenny Kuhr niet vergeten. De TROS was bezig met de opnamen van het televisiespelletje Triviant, ditmaal met kandidaten met een songfestivalverleden. Er was er eentje ziek geworden. Of Lenny Kuhr wilde invallen. Daar heeft ze geen trek in. 'Dat soort dingen heb ik nooit gedaan,' zegt ze. Kwissen, spelletjes, ze heeft altijd geweigerd eraan mee te doen. Nu ook. Maar ze wil best over het songlestivalverleden praten. Ze weet nog dat ze de muziek van De Troubadour schreef. Het was op een nacht. Ze was achttien en ze woonde nog thuis, op de zolderkamer. 'Toen het al was, wist ik dat het goed was. Dat voel je gewoon. Ik maakte mijn Ouders wakker. En mijn voet op de rand van het bed heb ik het ze voorgelongen. 'Mooi schatje' zei mijn vader, 'ga nou maar slapen','
Een ferme edelmetalenplak, het bewijs dat ze in 1969 het songlestival won, ligt in de vensterbank in de gang, naast een Edison en een onderscheiding in de vorm van een bronzen jongensfiguurtje. En een van haar gouden elpees hangt in het toilet. In huize Kuhr geen trots troleeenkastje, geen wand vol gouden platen. Het huis mag dan weinig hebben van een Lenny Kuhr Museum, de theaters beschouwen haar zelf vaak als een soort museumstuk. Ze staan niet te trappelen om de zangeres te boeken. Moet dat nog? Is dat niet oubollig? Dat zijn de reacties die Rob Frank vaak krijgt als hij zijn echtgenote voor haar nieuwe theatertour aanbiedt. 'Ze kennen haar nog van De Troubadour en van Visite. Ze weten helemaal niet dat Lenny al die jaren cd's is blijven maken.' Ais ze maar eenmaal ergens heeft opgetreden, dan weten ze weer wie Lenny Kuhr is. Hij overhandigt een stapeltje reacties. Van publiek, maar ook van theaterdirecteuren. Het zijn lovende woorden, van mensen die zich tot diep in hun ziel voelden geroerd. Ze wordt in dat opzicht zells vergeleken met Ramses Shalfy.

In 1993 raakte ze haar stem kwijt, het gebeurde tijdens een voorstelling. 'Ik voelde dat ik langzaam de grip op mijn stem kwijtraakte. Eerst verdween het laag uit mijn stem. En dat ging steeds verder. Op laatst kon ik helemaal niet meer praten. Het had iets met een centrale zenuwstelsel te maken. Mijn strottenhoold functioneerde niet meer. Het was een soort verlamming. Ik heb een jaar niet kunnen praten en zingen. Heel beangstigend. Geen arts die me kon vertellen of ik ooit weer zou kunnen zingen. Ondertussen maakte ik een spirituele reis met veel meditatie. Ik dacht dat ik nooit meer zou kunnen zingen en ik had me neergelegd bij het leit dat ik geen zangeres meer was. Het kwam heel geleidelijk terug. Uiteindelijk heeft het wel een jaar of acht geduurd voor ik mijn stem weer helemaal terug had. Daarna wist ik me van geluk geen raad. lk kan nu beter zingen dan voor die stembreuk.'

Ze komt uit een schildersgeslacht. Haar grootvader was kunstschilder. 'Hij beschilderde de grote panelen voor de aile bioscopen van Eindhoven.' Haar moeder had wel eens wat Ramblers-achtig repertoire gezongen in buurthuis 't Akkertje en haar vader was reclameschilder. 'Ik wilde graag een gitaar. Maar het was net na de oorlog. Er was niet zoveel geld. Toen ik tien was, kreeg ik er eentje. Een tweede-, misschien wel derde- of vierdehandse. Mijn vader had hem zell opgeknapt. Had de hals eraan gelijmd, en hij had 'm opgeschilderd. Het speelde heel zwaar. Maar vanaf het begin heeft de klank me betoverd. lk verloor mezell in de klank van een akkoord. AIsol ik in een zee van klanken terechtkwam.' Nuchter was ze ook wel, toen haar gitaarleraar op de eerste les maar eens begon haar gitaar te stemmen, vroeg ze bezorgd of dat geld kostte. 'Op mijn veertiende wist ik dat ik zangeres wilde worden. Ik had nog zo'n kinderstemmetje. Judy Garland yond ik prachtig en Amalia Rodriques. En ik was helemaal weg van Mahalia Jackson. Ik kom uit een rood gezin. Ze waren geen lid van de CPN, maar ik ging wel eens mee met dat soort jeugdbewegingen. Ik was een keer mee naar een bijeenkomst in Felix Meritus in Amsterdam. Daar vroegen ze of ik wat wilde zingen. Ik zong iets van Mahalia Jackson, niet wetend dat het een religieuze tekst was. De mensen werden heel kwaad. Dat was tegen de principes. Zo kinderachtig waren ze. Raar, volwassen mensen die een kind fonetisch Engels horen zingen en daar kwaad om worden.'
Toen ik van school al was, heb ik nog een hall jaar in een platenzaak gewerkt, maar ik ben ook direct gaan zingen. Ik trad veel op in Eindhoven, maar ook daarbuiten.' Op een dag werd ze gevraagd mee te doen aan het destijds populaire 'cabaret der onbekenden'. Dat was al eens gewonnen door Anneke Gronloh en door Peter Koelewijn. 'Ze stonden ineens voor mijn deur. Maar ik wilde niet. lk zong liedjes in Hebreeuws, Pools en zelfbedacht Engels. En bij cabaret der onbekenden moest het in Nederlands. Maar dat moest geen probleem zijn. Ze had den wel een tekstschrijver voor me: Armand, die was de winnaar van het vorige jaar met Ben ik temin.' En zo hadden ze in huize Kuhr ineens Armand over de vloer. 'Hij hoorde de melodie die ik had gemaakt aan, en schudde ter plekke een tekst uit zijn mouw. Daar won ik mee.'
Van vrijwel alle liedjes die Lenny Kuhr in de loop van carriere heeft gezongen, schreel ze zelf de muziek. Soms was de tekst er eerder, soms ook niet. Ze ontmoette David Hartsema op een liedjesbeurs van Conamus en hij werd haar eerste tekstschrijver. VeIe anderen volgden, onder wie Herman Pieter de Boer. Op de vorig jaar verschenen cd Op de grens van jou en mij zijn de meeste teksten van Rob Frank. 'Ik ga zitten en ik schrijf een melodie, dat heb ik al vanal mijn veertiende. Ik weet niet hoe het tot stand komt. lk kan ineens betoverd raken door een akkoord. Al spelend vormt het zich. Het is een muziekstijl die zich steeds vernieuwt. Mijn muzikanten noemen het Kuhrliedjes. lk zou niet weten hoe je het zou moeten noemen. Het is muziek die tussen folk en wereldmuziek in hangt.

Ik heb me wel algevraagd, wat een liedje eigenlijk is. Ik ging me verbazen over het leit dat ik tour de chants maakte met liedjes die elkaar tegenspraken. In het ene liedje stuur je iemand weg en in een volgende vraag je hem je nooit te verlaten. Dan kom je uit op de vraag wie je zell bent en wat je wilt. Waarom wil je dat lied zingen? Op een gegeven moment vond ik het zells gek. Het is toch raar op een podium te gaan staan en een liedje zingen? Je kunt honderduit praten, lezingen geven, maar als je begint te zingen kun je mensen op zielenniveau raken. Geweldig toch dat je met iemand op zo'n heel ander niveau kunt communiceren?
Ik realiseerde me dat ik uiteindelijk zell die troubadour ben. Trouveur d'or, iemand die het goud wil zoeken en het vindt. Iemand die steeds een verslag maakt van wat-ie heeft meegemaakt. Ik weet niet of David Hartsema dat ook bij mij zag, toen hij die tekst schreel. Hij leeft nog, ik zal het hem eens vragen.'

Uit: Twentsche courant, 10 februari 2005
Door: Ton Ouwehand

terug naar archief