| Schaam je niet, je bent niet de enige die,
zodra haar naam te berde wordt gebracht, reflexmatig 'Visite!' roept. Als
zou het haar pseudoniem zijn. Maar wie echt bij haar op visite gaat, maakt
kennis met een vrouw die veel meer is dan dat 'meisje van het jolige lied'.
Sinds het succes van haar Troubadour, waarmee ze in 1969 het Eurovisie Songfestival
won, heeft ze bewezen een uitermate breed en veel zijdig oeuvre aan te kunnen.
Momenteel is ze druk met het tot stand brengen van een cd met interpretaties
van de Portugese fado. Ook een (homo-)kroegentoer met een Songfestival-medley
staat op het programma. Een gesprek met Lenny Kuhr over het Songfestival
toen en nu, het perfecte van imperfectie, het huwelijk én de verburgerlijking.
Schubert, Brassens en het verschijnsel camp als te passeren station.
Nauwelijks zit ze aan tafel, of ze stuift alweer op. "Ik zal je
wat laten horen." Ze scharrelt door de kamer, plugt een sound-blaster
uit het jaar nul in het stopcontact en drukt op play. Ruis, Gestommel.
Dan een piano en twee stemmen. Een ervan is duidelijk van Lenny. Fadoklanken,
aanzwellend, tekstloos genahnahnaahd. Gegniffel en een schaterlach tussendoor.
Lenny geniet zienderogen, nu ze het terughoort. "Met een vriend ben
ik bezig met het samenstellen van een - overigens ook weer Nederlandstalig
- Fado-repertoire. Eindelijk. Eigenlijk heb ik altijd al fado gezongen,
zonder het te weten. De zo typerende slingertjes in de melodieën
heb ik van nature. Het is een heerlijk gevoelsgenre. Nu kan ik me er eindelijk
in laten gaan. Hoewel...?! Tijdens deze opname' - ze knikt richting cassette
- 'waren er momenten waarop ik dacht: nu wordt het bijna ordinair. Maar
het was zo leuk! En het mag - vind ik - best een beetje vulgair zijn.
Lekker zijn. We durfden het bijna niet te doen, maar deden het lekker
tóch. En een plezier dat we hadden!" Genieten, je laten gaan,
zonder gêne. Lenny ervoer al geruime tijd geleden aan den lijve,
dat zoiets in gay scène veel gemakkelijker gebeurt dan elders.
"In de tijd van Visite werd ik uitgenodigd in een van de zaken van
Manfred Langer te komen optreden. Stomverbaasd deed ik die avond een ontdekking:
het was daar zo uitzonderlijk gezellig met al die nichten. Iedereen zong
al mijn liedjes mee! Oprecht. Uitgelaten. Zonder dichtgeknepen billen.
Maar vooral: zonder het camp-cynisme. Het fenomeen camp is natuurlijk
ook door homo's groot gemaakt. Dat is zo ongeveer begonnen met Reve en
zijn 'verering' van Mary Servaes. Het is een verschijnsel waarin hooghartigheid
een grote rol speelt. Het is immers een excuus om iets te mogen doen -
of leuk te vinden - wat je eigenlijk not done vindt. Maar het zijn ook
de homo's die dit dogma weer doorbreken. Die dat station zijn gepasseerd
en zich met gemak in een zee van euforie laten gaan. Zonder zichzelf hoger
te plaatsen in een hiërarchie."
De hooghartigheid voorbij. De trend is gezet, meent Lenny. In de muziek
constateert ze een kentering ten goede: er ontstaat een sfeer waarin alles
mag. Daarmee is ook de herwaardering voor het Nederlandstalig genre in
opmars. Maar er zijn altijd nog artiesten die zich vermommen om te kunnen
doen wat ze eigenlijk willen. "Ik was afgelopen december in Leiden
te gast in het Laktheaterprogramma Jan & An van Jan Rot en Marjolein
Meijers. Ik zong er liedjes van en met Rot, evergreens in het Nederlands
en zo. Een beetje cynisch, maar sommige waren ook erg leuk. Ik heb me
daar wel even afgevraagd: wat gebeurt hier nou eigenlijk? Zo'n duo, Rot
en Meijers, hult zich in lullige kleertjes -want dan mag het allemaal
- en creëert daarmee een eigen pseudoniem. De volgende stap zou zijn
die tralala weg te laten. Lekker zingen wat hen raakt, wat leuk en gezellig
is. Zonder malle pruik of overdreven truttigheden-met-knipoog. Gewoon
als zichzelf. Je hoeft jezelf niet. eeuwig voor het volle honderd procent
serieus te nemen. Ik merk dat met Visite, Dat is een instituut geworden.
Het blijft dan ook een leuk lied om te doen, tenminste: daar waar het
op zijn plaats is. Als je het zelf maar lekker voorbij durft te vinden.
Kijk, laatst werd ik gevraagd om voor een groep Delftse hoogleraren te
zingen. Dan kies ik iets uit mijn Schubet-repertoire. En kom ik niet aan
met de Troubadour of Visite, wat ik wél doe op plekken waar het
leuk is om te doen. En dan sta ik erachter." De tendens van de afwezige
hooghartigheid wordt steeds meer zichtbaar, meent Lenny. "Hoewel
je nog vaak het plaatje ziet van de intellectueel die stijvig meehupst,
met op zijn gezicht de uitdrukking van: zie mij eens leuk meedoen. Maar
dat zie ik wel minder worden. Het gaat immers niet om smaakverlies.Maar
om iets toelaten wat iedereen in zich heeft."
Na het Songfestivalsucces in 1969 werd Lenny uitgenodigd voor tv-optredens
in Frankrijk. In 1972 verscheen haar Franstalige lp Les Enfants. Het succes
bij de Fransozen bleef niet uit, hetgeen toch minstens opmerkelijk te
noemen is voor een Hollands meisje. "Het leuke is, dat ik er niets
voor hoefde te doen. Het kwam vanzelf. De meest indrukwekkende herinnering
heb ik aan mijn samenwerking met George Brassens. Fantastisch. Onlangs
nog benaderde iemand me met een knieval, die overigens niet voor mij persoonlijk
bedoeld was, maar voor mij als de vrouw die in de nabijheid van Brassens
heeft geopereerd. Zo razend interessant wordt die man nog steeds gevonden.
Een heilige." Tot het besluit om in Parijs te gaan wonen -noodzakelijk
om definitief in Frankrijk door te breken - is Lenny nooit overgegaan.
"Parijs had - vreemd genoeg - iets burger-truttigs. Het artiestendom
kende strenge wetten. Behalve dat alles bij elkaar moest passen - de ceintuur
bij de schoenen, de lipstick bij je tasje - diende je een silhouet van
jezelf te maken. Een sjabloon. Zo had Piaf altijd dezelfde jurkjes aan.
Ik was het meisje-met-het-speldje. Maar daar hield ik me niet aan. Als
er net strooifolders met mijn foto waren gemaakt, ging ik naar de kapper.
Zag ik er totaal ander uit. Dan wekte ergernis."
Na grote omzwervingen in haar bestaan keerde Lenny terug naar de plaats
waar ze opgroeide: het o, zo Brabantse Eindhoven. Hier begrijpt ze de
mensen. "Ik heb op veel plekken gewoond. In Amsterdam, Den Haag,
Laren, noem maar op. En een jaar in Israël; toen ik - mijn huwelijk
was er gesneuveld - terugkwam naar Nederland met twee kleine kinderen
en mijn gitaar, belandde ik zolang bij mijn ouders in Eindhoven. Ik had
immers geen huis en wist dat vader en moeder hun kleinkinderen liefdevol
zouden opvangen, 's Nachts hoorde ik de geluiden op straat. Van jongelui
die uit de kroeg kwamen. Ik luisterde naar dat stoere, eenvoudige. Dat
'godverdomme' in elke zin. Dat was zo heerlijk vertrouwd."
Evenzo vertrouwd in Lenny's leven lijkt de sfeer van het Songfestival.
Hoewel het inmiddels ruim dertig jaar geleden is dat ze er zelf aan deelnam
en er sindsdien jaren zijn geweest dat ze er niet naar keek, blijft ze
er in zekere zin bij betrokken. Het Songfestival staat ergens voor, vindt
ze, maar om dat uit te leggen is niet zo eenvoudig. "Het is in ieder
geval nooit trendsetend geweest en dat is ook niet het doel. Het is een
volksgebeuren, voor iedereen, toegankelijk. We hebben het natuurlijk lang
als camp gezien. Maar die gedachte zal plaatsmaken voor het idee van een
soort Europese folklore. Niet intellectueel ,in overeenstemming met een
volksgevoel. Maar dan goed. Momenteel worden de wetten van de magie over
het hoofd gezien. Het afschaffen van het orkest vind ik bijvoorbeeld verschrikkelijk.
En er zijn er zoveel mensen bij betrokken die denken te weten wat de succesformule
is. Wat commercieel is. Met vooral veel uiterlijk vertoon. Maar zo werkt
het niet. Een goed liedje raakt een emotie. Commercieel of niet. Ineens
voel je: ja! Dit is het. Even snel-snel een Songfestivalliedje schrijven,
is dus een slechte zaak. Waarom maken we niet een heel jaar lang liedjes?
Zodat daaruit het leukste, origineelste en meest treffende exemplaar kan
worden gekozen? Ik snap dat niet." Lenny ziet 'onze' Michelle niet
direct als een winnares. "Ik heb de wijsheid niet in pacht, maar
ik denk dat ze ergens in de middenmoot zal eindigen. In Ahoy heeft ze
hier en daar wel voor kippenvel gezorgd, dus dat is goed. Ik persoonlijk
had een zwak voor Montezuma's Revenge. Misschien vanwege het feit dat
hun optreden iets rebellerends heeft. Een statement tegen al die platte,
afgevlakte muziek."
Met haar songfestivalmedley - een selectie van liedjes die ze zelf leuk
vindt om te doen - wil Lenny ook juist weer de homo-kroegen aandoen. Volgt
ze de ontwikkelingen in homoland? "Niet op de voet. In grote lijnen.
De openstelling van het burgerlijk huwelijk is wel tot me doorgedrongen,
ja. Nu ben ik persoonlijk geen voorstander van het huwelijksinstituut.
Begrijp me goed: ik ben er niet op tegen. Als twee mensen - wie dan ook
- er behoefte aan
hebben hun liefde op die manier te bezegelen, moet dat kunnen. Maar. Met
het voortschrijden van de homo-integratie wordt het er niet boeiender
op. Het wordt allemaal wat tuttiger. In Ahoy' zag ik een collega - ik
zal zijn naam niet noemen - die ik vooral ; ken uit de tijd dat hij er
nog niet zo voor uitkwam. Inmiddels is hij een tut eerste klas. Met een
overdreven 'meid!' als intro en bijbehorend handgebaartje bedient hij
zich aan de lopende band van open deuren, platitudes en hopeloze trivialiteiten.
M'n tante Beppie uit Amsterdam is er niks bij. En dat is misschien wel
enigszins exemplarisch. Ik bedoel: het flitsende gaat eraf. Het wakkere.
Dat is jammer, maar logisch:die alertheid komt vooral voort uit beperkingen.
Zodra die volledig worden weggenomen, verdwijnt ook de spanning. Dat is
nu eenmaal wet. De Arabieren zeggen: 'never finish your home'. En zo is
het. Pure harmonie, totale perfectie, bestaat niet. Het streven, daarom
gaat het. je zou het zelfs kunnen vergelijken met de fado-opname die ik
straks liet horen. De charme van het onaffe, het zich ontwikkelende is
verdwenen zodra het eenmaal op cd staat. Dan is het een stuk minder geil.
Onvermijdelijk, maar eigenlijk doodzonde."
Rits de Wit
Gay Krant | nummer 432
|